Mogen we dit nog zeggen?
Over de ruimte die we systematisch leeg aan het maken zijn.
Er is een advies dat ik steeds meer zie terugkomen: in opleidingen, in intervisies, in de taal waarmee coaches en therapeuten over hun werk praten, en uiteraard ook op sociale media. Het klinkt heel verstandig en zelfs zorgzaam: zoek het antwoord niet bij de ander, maar in jezelf. Kijk naar jouw stuk, werk het innerlijk uit, verlaag je verwachtingen naar de ander. En als je er dan klaar voor bent, ga je verder, al dan niet met die persoon. Want die persoon past naargelang je uitkomst wel of niet meer in jouw leven. Klaar.
Ik begrijp heel goed waar dat vandaan komt. Er zijn situaties waarin de ander niet beschikbaar is, niet wil luisteren, niet kan luisteren of waarin contact simpelweg niet veilig is. Dan is innerlijk werk soms het enige dat overblijft. En ja, dat heeft waarde. Ik zeg niet dat dit de vuilbak in moet, integendeel.
Maar ik stel graag ook een andere vraag: wanneer zijn we beginnen denken dat goed omgaan met pijn per definitie betekent: het uit de relatie halen en in jezelf oplossen? En wat gaat er verloren als we dat steeds meer als de enige volwassen route gaan zien?
“Wanneer zijn we gaan denken dat juist het kenbaar maken van je pijn minder volwassen zou zijn?”
De ruimte tussen mensen
Wanneer iets wat een ander zegt of doet ons diep raakt, is het zeker waardevol om naar binnen te kijken. Wat gebeurt er in mij? Welke oude pijn wordt misschien aangeraakt? Wat is mijn aandeel? Waar heb ik zelf iets te onderzoeken of te leren?
Maar daarmee is nog niet gezegd dat wat er gebeurd is uitsluitend een individueel vraagstuk is.
Sommige dingen ontstaan nu eenmaal in de ruimte tussen mensen. Een opmerking, een afwijzing, een grens die wordt overschreden, een breuk, een gebrek aan erkenning. Daar kun je innerlijk mee aan de slag. Maar er kan daarnaast nog een andere beweging zijn, namelijk dat je tegen die ander zegt: Dit heeft mij geraakt en ik wil dat je dat weet.
Niet om de ander verantwoordelijk te maken voor jouw emoties en ook niet vanuit de verwachting dat de ander jouw pijn moet oplossen, laat staan om de ander te gaan aanklagen. Misschien wil je gewoon kenbaar maken wat er tussen jullie is gebeurd, omdat dat nu eenmaal onderdeel is van een relatie. Ik vraag me af wanneer we zijn gaan denken dat juist dat minder volwassen zou zijn.
De individualiserende reflex
Ik zie in ons veld een reflex die goedbedoeld is, maar volgens mij soms iets overslaat. Wanneer iemand geraakt is door een ander, gaan we al snel kijken naar zelfregulatie, verwachtingen, grenzen, patronen en het eigen aandeel. Dat zijn belangrijke vragen en ik zou ze absoluut niet willen schrappen.
Maar wat gebeurt er wanneer wat is jouw stuk? de andere vraag begint te verdringen: Wat gebeurt er hier tussen jullie en wat wil je daarmee?
“Dan kan zelfonderzoek ongemerkt een individualiserende beweging worden. Dan wordt iets wat ook relationeel is steeds opnieuw teruggebracht naar de binnenkant van één persoon.”
Ik herinner me een moment tijdens een coachingsopleiding. Ik was in gesprek met een coachee en zei: Dit raakt mij wat jij nu zegt. Ik had dit geleerd als een manier om aanwezig te zijn, om te laten merken dat wat de ander brengt daadwerkelijk landt. De feedback was onmiddellijk en duidelijk: maar nu trek je het proces naar jezelf. Je moet bij je coachee blijven.
Ik begreep wat er werd bedoeld. Maar toch bleef er iets wringen.
Want wat ik deed, was geen zijweg van het proces of een manier om het even over mezelf te hebben. Ik liet de coachee voelen dat ze iets in beweging had gezet. Dat ze er mocht zijn met wat ze bracht, dat het aankwam, dat het raakt. Soms is dat precies wat iemand nodig heeft. Niet een coach die neutraal faciliteert, maar een mens die geraakt wordt en dat niet verbergt.
Dat lijkt me geen gebrek aan zelfredzaamheid, of je eigen stukken niet kunnen dragen. Dat lijkt me een vorm van relationele verantwoordelijkheid.
Wanneer iemand tegenover me zit en zegt hoe diep iets hem of haar heeft geraakt, stel ik soms één vraag: zou die andere persoon dat weten? Als uitnodiging om te kijken of de beweging naar binnen ook een beweging naar de ander verdient.
Wat hechting ons ook laat zien
Ook vanuit hechting vind ik dit interessant. Mensen reguleren zichzelf, maar mensen reguleren ook met elkaar. We zoeken elkaar op wanneer we bang zijn, wanneer we ons afgewezen voelen, wanneer we geraakt zijn. We protesteren, vragen om erkenning, zoeken geruststelling en proberen na een breuk of conflict opnieuw verbinding te vinden. Dat is wat mensen mensen maakt.
Dat betekent natuurlijk niet dat iedere ander beschikbaar moet zijn voor ons verhaal. Het betekent evenmin dat we recht hebben op de reactie waarop we hopen. Soms moeten we aanvaarden dat iemand niet kan geven wat we nodig hebben.
Maar er is een wezenlijk verschil tussen ik heb jou nodig om mijn gevoel weg te nemen en ik wil jou laten weten wat jouw gedrag met mij heeft gedaan. En er is ook een verschil in wat er met mensen gebeurt naargelang die beweging wel of niet wordt ontvangen.
Als iemand zegt dit heeft mij geraakt en de ander kan dat ontvangen, gebeurt er iets wat innerlijk werk alleen niet kan doen. Er is externe validatie, de werkelijkheid van wat er is gebeurd wordt erkend buiten het hoofd van één persoon. Het zenuwstelsel reguleert mee via de ander. De relatie kan herstellen, of bewust worden afgesloten, maar dan vanuit helderheid. En de persoon die iets heeft veroorzaakt, krijgt de kans om dat te weten en er iets mee te doen als dat zou nodig zijn.
Als die beweging niet wordt ontvangen, draagt één persoon de volledige last van iets wat tussen twee mensen is ontstaan. Dat is niet alleen zwaar. Het wringt ook, want ergens weet je: dit is niet alleen van mij.
Voor mij zit hierin ook een maatschappelijke vraag
Dit stopt voor mij niet in een praktijkruimte.
Kijk naar hoe organisaties omgaan met klachten en ontevredenheid. Een klacht is ook een vorm van verbinding. Iemand die klaagt, is nog in relatie met je. Ze hadden ook gewoon kunnen weggaan en niets zeggen. Maar we hebben systemen gebouwd die die beweging meteen inkapselen. Juridisch, procedureel, op afstand. Een klacht wordt een dossier. Ontevredenheid wordt een risico om te beheersen. En de mens die iets wilde zeggen, krijgt een procedure terug.
We leven in een wereld waarin we steeds meer taal hebben om elkaars gedrag te beschrijven en te analyseren. We kennen woorden voor patronen, hechtingsstijlen, triggers, grenzen en toxische dynamieken. Dat kan enorm helpend zijn. Maar ik vraag me soms af of we daardoor ook een merkwaardige beweging hebben gemaakt: we zijn steeds beter geworden in praten over elkaar, terwijl we misschien niet noodzakelijk beter zijn geworden in praten met elkaar wanneer het moeilijk wordt.
We kunnen iemand analyseren zonder die persoon ooit werkelijk aan te spreken. We kunnen besluiten dat iemand niet goed voor ons is zonder ooit te hebben gezegd wat ons geraakt heeft. We hebben meer woorden dan ooit, en misschien minder gesprekken.
En wat is jouw stuk? en wat gebeurt er tussen ons?
Dit is voor mij misschien wel de kern. Wanneer ik in een professionele context iets hoor waarvan ik denk dat het niet klopt, vind ik het belangrijk om mezelf af te vragen wat mijn aandeel daarin is. Heb ik iets gemist? Ben ik geraakt vanuit een oude plek? Is mijn interpretatie wel juist?
Maar ik wil daar niet stoppen. Want als iets tussen mensen gebeurt, hebben we soms ook een verantwoordelijkheid om het niet alleen in onszelf te verwerken, maar het waar mogelijk weer in de relatie te brengen. Niet vanuit de zekerheid dat je gelijk hebt. Maar vanuit de bereidheid om het gesprek aan te gaan, ook als de uitkomst onzeker is.
Nagy schreef er al over vanuit de contextuele therapie, Jessica Benjamin vanuit de intersubjectieve psychoanalyse, en Paul Verhaeghe vanuit zijn kritiek op hoe neoliberalisme van relationeel lijden een individueel faalverhaal heeft gemaakt. Wat misschien nieuw is, is de vraag wat dit betekent voor hoe wij als coaches ons werk begrijpen. Want die vertaalslag: van therapiekamer naar coachingpraktijk… Daar is werk.
Dus: mogen we dit nog zeggen?
Mogen we tegen iemand zeggen dat ze ons hebben geraakt, in de relatie zelf, niet erbuiten? Mogen we huilen om iets wat iemand anders zei, en dat ook kenbaar maken?
Ik pleit voor iets veel eenvoudigers: dat we niet vergeten dat er naast de beweging naar binnen ook een beweging naar de ander bestaat. Laten we elkaar weer wat vaker met ons hart aanspreken.
